Insight

Waarom afstudeertracks diffuus moeten blijven

20200811-Qanu-128

Wie dacht dat we het wel zo’n beetje voor elkaar hadden met de kwaliteitszorg in het hoger onderwijs, lijkt bedrogen uit te komen. In haar rapport De Staat van het Onderwijs signaleerde de Onderwijsinspectie dit voorjaar een acuut probleem: afstudeertracks. De inspectie kraakt harde noten. Zo is er slechts ‘beperkt zicht op de kwaliteit van onderwijs’ en heeft accreditatieorgaan NVAO ‘(nog) geen zicht op de kwaliteit van tracks binnen opleidingen’, aldus het rapport. Zeker waar het tracks betreft die naar een onderwijsbevoegdheid leiden, maakt de inspectie zich zorgen. Vormen afstudeertracks inderdaad een probleem, en schiet het huidige visitatiestelsel tekort bij de borging daarvan?

Geen eenduidige definitie

Steen des aanstoots is voor de Onderwijsinspectie allereerst het diffuse karakter van het begrip ‘track’. Een blik op het opleidingslandschap van hogescholen en universiteiten maakt duidelijk wat de inspectie bedoelt. Een waar panorama aan studiepaden in allerlei soorten en maten strekt zich uit. In sommige opleidingen kiezen studenten pas aan het einde een specialisatie. In andere volgen ze vanaf het begin hun eigen weg. Er zijn opleidingen die zich splitsen in een Nederlands en een Engels spoor. En er zijn zelfs opleidingen waarin studenten eerst een track, dan een variant en dan nog een subspecialisatie kiezen. Er is dus bepaald geen eenduidige definitie te geven van wat een track eigenlijk is. De inspectie acht deze ongedefinieerdheid zorgelijk, want het overzicht ontbreekt en daarmee de controle.

Herkenbare uitstroomprofielen

Het ministerie van OCW heeft zich in het recente verleden rekenschap gegeven van de veelheid aan en veelvormigheid van afstudeertracks, en een aanzet gedaan tot het ontwarren van de kluwen. Het resultaat is het ResearchNed-rapport Tracks in het hoger onderwijs uit 2018. In dat rapport, met een treffende afbeelding van twee elkaar kruisende treinsporen op de voorkant, doen de onderzoekers een poging tot definitie en inventarisatie van verschillende soorten tracks. Het rapport roept een positiever beeld op dan de Staat van het Onderwijs: ResearchNed zet de voordelen van het aanbieden van afstudeertracks helder op een rij. Met tracks creëer je als opleiding heldere uitstroomprofielen die voor het werkveld herkenbaar zijn; je organiseert kleinschaligheid zonder dat je opleiding te klein wordt; je geeft overzichtelijk vorm aan individuele leerpaden en biedt studenten zowel vrijheid als structuur. Een track is flexibel, praktisch en aantrekkelijk.

Laagdrempelig

Interessant daarbij is dat het rapport van ResearchNed helder laat zien waarom er eigenlijk zo’n wildgroei aan afstudeerrichtingen en –varianten is ontstaan. Tracks zijn het laagdrempelige en praktische antwoord op het ‘gedoe’ dat het starten van een nieuwe opleiding oplevert. Als je een track introduceert, hoef je geen macrodoelmatigheidstoets en geen toets nieuwe opleiding te ondergaan. Je track mag gewoon meedoen in de reguliere accreditatie- en visitatieprocedure van de opleiding waar die bij hoort. Dat scheelt veel tijd en geld. Als de track uit zijn voegen groeit, kan er altijd nog een zelfstandige opleiding van worden gemaakt.

Ook marketingaspecten spelen een rol. ResearchNed wijst erop dat in sommige sectoren via zogenaamde ‘planningsneutrale conversies’ flink gesnoeid is in het aantal opleidingsnamen dat gehanteerd mag worden. Het doel was de creatie van een meer inzichtelijk landelijk opleidingsaanbod. Maar met de introductie van de ‘brede labels’ ging de scherpere inhoudelijke profilering verloren van de opleidingen die onder die labels werden gebundeld. Zo omvat het brede label Kunst- en Cultuurwetenschappen zulke uiteenlopende vakgebieden als musicologie, communicatiewetenschap en boekwetenschap. Om studenten te trekken en het werkveld te laten weten wat je doet, schiet het brede label daarmee tekort. Het aanbieden van tracks met een eigen naam, identiteit en (deels) eigen programma vormt hiervoor een oplossing.

Tracks geven een opleiding wendbaarheid, en zijn dus essentieel voor haar kwaliteit en actualiteit.

Het is dus niet bepaald vreemd dat er zo veel tracks in zo veel vormen worden aangeboden. Opleidingen kunnen tracks gebruiken om te experimenteren, zich snel te voegen naar nieuwe ontwikkelingen in het veld en zich helder in de markt te positioneren. Het diffuse karakter van tracks dat de Onderwijsinspectie benoemt, is juist de schoonheid ervan: tracks zijn flexibel en fluïde. Je zou zelfs kunnen zeggen: tracks geven een opleiding wendbaarheid, en zijn dus – uiteindelijk – essentieel voor haar kwaliteit en actualiteit.

Overzicht

Wat overblijft is het gebrekkige overzicht. Als je tracks ziet als vloeibaar en wendbaar, kun je op je klompen aanvoelen dat er geen beginnen aan is om ze in kaart te brengen. Zodra de inkt droog is, is de bedding verlegd. Heeft de Onderwijsinspectie een punt en staat dat gelijk aan een gebrek aan controle? En zo ja: is dat een probleem?

Het is wellicht een geruststelling om te weten dat de meeste tracks ook vóór de verschijning van de Staat van het Onderwijs niet werden vergeten in visitatie- en accreditatieprocessen. Een visitatiepanel dat een opleiding tegenkomt met meerdere varianten, specialisaties en/of richtingen, verplicht zich om al die richtingen te bestuderen. Van harte gaat dat niet altijd. Panelleden kunnen zich soms boos maken over de vele parallelle opleidinkjes die zij onder één noemer blijken te moeten beoordelen, en die soms compleet los van elkaar staan. Het levert hen ook meer werk op: er moeten verschillende curricula worden bekeken, voldoende eindwerken per track bestudeerd en extra veel studenten en docenten geïnterviewd. Maar dat neemt niet weg dat de panels zich altijd van deze borgingstaak kwijten. Sterker nog: als één track tekortschiet, zal het paneloordeel dat reflecteren, hoe goed de andere tracks ook zijn.

Het accreditatiesysteem zoals we dat nu hebben, blijkt op deze manier prima in staat om de veelvormigheid van de opleidingen te verdisconteren. Zeker het laatste NVAO-beoordelingskader, dat uitgaat van vertrouwen in de kwaliteit van de opleidingen, biedt alle ruimte om iedere opleiding in al haar varianten op haar eigen merites te beoordelen.

Een belangrijke voorwaarde is wel dat alle tracks worden gezien en beoordeeld als onderdeel van een opleiding. Terecht maakt de Inspectie zich zorgen over tracks waarvoor dat nog niet geldt. Er bestaan bijvoorbeeld in de bètawetenschappelijke hoek educatieve, communicatieve en managementvarianten die door meerdere opleidingen gedeeld worden zonder dat ze er expliciet bij horen. In sommige gevallen werden deze richtingen tot voor kort in geen enkele visitatiecyclus voluit meegenomen. De zorgen van de Inspectie gelden in het bijzonder de routes naar het leraarschap: afstudeerrichtingen met stevige maatschappelijke impact die niet onder de radar zouden mogen verdwijnen.

Maak meer tijd en ruimte voor de beoordeling van tracks in accreditatieprocedures

Gelukkig was het de afgelopen jaren ook anderen, niet in de laatste plaats de NVAO, al duidelijk geworden dat hier nog een verbeterslag te maken valt. De NVAO onderneemt actie om dit soort ‘losse’ tracks in een visitatiecluster van opleidingen onder te brengen. De Onderwijsinspectie heeft inmiddels alle routes naar het leraarschap in kaart gebracht: het zijn er 384. 107 daarvan worden gevormd door tracks (trajecten). Een groot, maar nog te behappen aantal waar de NVAO zich samen met de inspectie en het ministerie vanaf nu in mag vastbijten.

Er valt ook nog wel winst te boeken als het gaat om de zorgvuldige beoordeling van afstudeertracks tijdens een visitatie. Want als één opleiding blijkt te bestaan uit zes losstaande tracks met ieder een eigen programma, docentenstaf en specialisme, is meer tijd en aandacht nodig om die tracks goed te kunnen bekijken. Een stap in de goede richting zou misschien wel de afschaffing zijn van de massale clustervisitatie, waarbij soms wel tien of meer opleidingen in een paar dagen worden beoordeeld. In de resulterende snelkookpan is het al moeilijk om ruimte te scheppen voor het zorgvuldig beoordelen van een enkele opleiding – laat staan voor alle afstudeervarianten die daarbinnen worden verzorgd.

Tracks als oplossing

Ondanks deze bezwaren kun je concluderen dat de kwaliteitsborging van tracks in feite al geregeld is. Het is van belang om deze borging waar nodig te verbeteren. Met de toenemende behoefte aan meer flexibele opleidingsvarianten wordt de wildgroei aan tracks de komende jaren eerder groter dan kleiner. Maak daarom meer tijd en ruimte voor de beoordeling van tracks in accreditatieprocedures. Inventariseer welke tracks nergens bij horen en breng dergelijke uitwassen onder bij een opleiding. Maar het is even belangrijk om tracks in al hun flexibiliteit en veelvormigheid niet te zien als een probleem, maar als een elegante oplossing voor behoeften en noden die alle opleidingen hebben, en die altijd op de een of andere manier gekanaliseerd zullen moeten worden. Hun ‘diffuse’ karakter is nu net datgene wat bijdraagt aan de kwaliteit van het hoger onderwijs.