Klachten- en bezwaarprocedure

Hieronder vindt u de procedure die QANU hanteert voor het indienen van klachten over de werkwijze van QANU als organisatie of het gedrag of het handelen van individuele medewerkers van QANU of van leden van door QANU ondersteunde commissies.

Een klacht kan worden ingediend door iemand die ontevreden is over de manier waarop hij of zij door een medewerker of een bestuurslid van QANU of een lid van een QANU ondersteunde commissie is behandeld of bejegend tijdens een visitatie.

Het is niet mogelijk een klacht in te dienen over de oordelen van een door QANU ondersteunde commissie. Het is wel mogelijk om beroep aan te tekenen tegen die oordelen. QANU heeft daarvoor een aparte procedure (zie het volgende hoofdstuk van dit document). Alleen instellingen kunnen namens opleidingen of onderzoekseenheden beroep aantekenen tegen de oordelen van een door QANU ondersteunde commissie.

 

Wijze van indiening en behandeling

Klachten over de werkwijze van QANU of het gedrag of het handelen van een van de medewerkers van QANU of van leden van door QANU ondersteunde commissies kunnen binnenkort via onze website worden ingediend. Tot die tijd kunt u zich per e-mail wenden tot de directeur van QANU

QANU bericht de indiener van de klacht uiterlijk binnen 5 werkdagen op welke wijze de melding in behandeling wordt genomen. De termijn voor het behandelen van een klacht bedraagt in beginsel 15 werkdagen. Wanneer er meer tijd nodig is voor een zorgvuldige behandeling, dan meldt QANU dat aan de indiener van de klacht.

Een klacht over het gedrag van een medewerker van QANU wordt in beginsel behandeld door de directeur van QANU. Een klacht over het gedrag van de directeur van QANU wordt in beginsel behandeld door de voorzitter van het bestuur van QANU. Een klacht over een bestuurslid wordt in beginsel behandeld door de beroepscommissie van QANU. Een klacht over een commissielid van QANU wordt in beginsel behandeld door de directeur van QANU in overleg en samenspraak met de voorzitter van het bestuur van QANU. Klachten over de werkwijze van QANU worden in beginsel behandeld door de voorzitter van het bestuur en de directeur van QANU. In alle gevallen geldt dat het, afhankelijk van de aard van de klacht, mogelijk is om anderen te betrekken bij de behandeling van de klacht.

 

Beroepsprocedure voor door QANU uitgevoerde visitaties

 

Artikel 1: Instelling beroep

  1. Als een instelling zich, ook na de procedure voor hoor en wederhoor, niet kan vinden in een oordeel van de visitatiecommissie (hierna: de Commissie) over een opleiding of een onderzoekseenheid van die instelling, kan zij tegen dat oordeel beroep aantekenen. Zij kan daartoe een beroep indienen bij de Beroepscommissie van QANU.
  2. De Beroepscommissie is een onafhankelijke commissie die bestaat uit drie leden: twee permanente leden en een derde lid dat beschikt over expertise in de discipline van de opleiding of onderzoekseenheid. De leden van de Beroepscommissie zijn benoemd door het Bestuur van QANU. Zij beslissen zonder last of ruggespraak.

 

Artikel 2: Gronden voor het aantekenen van beroep

  1. Instellingen hebben, binnen de reikwijdte van het beroep zoals beschreven in Artikel 3, de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen het oordeel van de Commissie over een opleiding of een onderzoekseenheid. Instellingen kunnen daarbij stellen dat
    de commissie gehandeld heeft in strijd met de uitgangspunten of richtlijnen voor het beoordelen van een opleiding of onderzoekseenheid, met algemene regelgeving of met de uitgangspunten van eerlijke en gelijke procedures (procedurele gronden),
    het oordeel van de commissie onredelijk of disproportioneel was in het licht van de beschikbare evidentie (inhoudelijke gronden), bijvoorbeeld omdat de commissie
       o  bepaalde feiten en/of evidentie die tijdens het beoordelingsproces naar voren zijn gekomen, niet in overweging heeft genomen of verkeerd heeft begrepen, of
       o  haar oordeel heeft gebaseerd op feiten en/of evidentie die tijdens het beoordelingsproces niet naar voren zijn gekomen, of
       o de grenzen van de vertrouwelijkheid niet in acht heeft genomen of heeft overschreden, of
       o 
    haar oordeel heeft gebaseerd op overwegingen die aantoonbaar niet substantieel gerelateerd zijn aan de onderwerpen waarover zij een oordeel dient te geven, of
       o 
    een aspect niet in overweging heeft genomen dat waarschijnlijk van substantieel belang is voor het oordeel.


Artikel 3: Reikwijdte van het beroep

  1. Het beroep kan alleen gebaseerd zijn op feiten en/of evidentie die aantoonbaar voor de Commissie beschikbaar waren tijdens de beoordelingsprocedure.
  1. Het relevante beoordelingskaders is de versie die geldig was op het moment dat de Commissie tot haar oordeel kwam.
  1. Behalve in gevallen van zware en evidente nalatigheid zal de Beroepscommissie alleen die gronden in overweging nemen die de eiser naar voren heeft gebracht in het beroep.

 

Artikel 4: Beroepsprocedure

  1. Een beroep moet bij QANU worden ingediend uiterlijk 60 dagen nadat de eiser de definitieve versie van het beoordelingsrapport heeft ontvangen.
  2. Alvorens de Beroepscommissie het beroep in behandeling neemt, stelt zij de Commissie in de gelegenheid om binnen 30 dagen op het beroep te reageren.
  3. De Beroepscommissie neemt een besluit over een beroep binnen 90 dagen nadat zij het beroep heeft ontvangen. Deze termijn kan eenmaal met maximaal 90 dagen worden verlengd.
  4. In het geval van een gebrek aan relevante informatie of van een noodzaak voor opheldering kan de Beroepscommissie nadere informatie opvragen bij de Commissie of bij de secretaris van de Commissie. De Beroepscommissie kan ook, indien gewenst, nadere informatie opvragen bij de instelling die het beroep heeft ingediend.

 

Artikel 5: Besluiten en gevolgen

  1. De Beroepscommissie kan besluiten om het beroep gegrond te verklaren, het beroep te verwerpen, of het beroep niet ontvankelijk te verklaren.
  2. Als de Beroepscommissie het beroep gegrond verklaart, neemt de Commissie haar oordeel nogmaals in overweging, met inachtneming van het besluit van de Beroepscommissie.

 

Artikel 6: Onafhankelijkheid

  1. Een lid van de Beroepscommissie voor wie sprake is van een verstrengeling van belangen met betrekking tot een instelling zal niet deelnemen aan de behandeling van een beroep van een opleiding of onderzoekseenheid van die instelling. Een lid van de Beroepscommissie wordt geacht een belangenverstrengeling te hebben wanneer, bijvoorbeeld,
    - hij of zij een financiële vergoeding ontvangt van de instelling als werknemer, zzp’er of anderszins, of
    - hij of zij een formele relatie heeft met de instelling, hetzij bezoldigd, hetzij onbezoldigd, bijvoorbeeld als lid van een commissie of bestuur, of
    - hij of zij betrokken was bij de beoordeling van de instelling of van een opleiding of onderzoekseenheid van die instelling, of
    - hij of zij een positie bekleedt binnen een organisatie of instelling die nauw gerelateerd is aan de instelling, of
    - een van de bovenstaande situaties van toepassing is op een familielid of een andere persoonlijke relatie, of
    - een van de bovenstaande situaties in de afgelopen vijf jaar van toepassing was.
  2. Van leden van de Beroepscommissie wordt verwacht dat zij zelf en uit zichzelf aangeven wanneer er sprake is van een mogelijke belangenverstrengeling.
  3. Instellingen die een beroep indienen informeren de voorzitter van het bestuur van QANU wanneer zij van mening zijn dat een lid van de Beroepscommissie een belangenverstrengeling heeft met betrekking tot het door hen ingediende beroep.
  4. Eventuele meningsverschillen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de leden van de Beroepscommissie worden beslist door de voorzitter van het bestuur van QANU.

 

Artikel 7: Nadere bepalingen

De Beroepscommissie kan de beroepsprocedure nader uitwerken in een Richtlijn voor Beroepsprocedures.